Hai cercato: bundesanleihe [ Disabilita i colori ]
Per soli 5€ (iva esclusa) il testo inserito sarà tradotto da un traduttore professionista (non una macchina).
Ricevi la traduzione via email in 6 ore.
Da traduttori professionali, aziende, pagine web e banche di dati di traduzione disponibili al pubblico.
Tedesco |
Olandese |
Dettagli |
Euro-Tranche der Stillen Einlage in die Dresdner Bank vom Mai 1999 -500 Mio. EUR -12 Jahre -BR: Aa1/AA PR: Aa2; A+ -165 bp -10-jährige deutsche Bundesanleihe (Korrektur durch Abzug von 20-40 bp) -125-145 bp -
|
Euro-tranche van derdenbelang in Dresdner Bank, mei 1999 -500 mil-joen EUR -12 jaar -KR: Aa1/AA PR: Aa2; A+ -165 bp -Duitse staatslening met een looptijd van 10 jaar (correctie door aftrek van 20 à 40 bp) -125-145 bp -
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
Euro-Tranche des Perpetuals in die Deutsche Bank vom Juli 1999 -500 Mio. EUR -unbegrenzt -BR: Aa3/AA PR: A1 -Fest 6,6% (entspricht 115 bp) -Entspricht 30-jähriger Bundesanleihe (Korrektur durch Abzug von 20-40 bp) -75-95 bp -
|
Euro-Tranche van perpetual in Deutsche Bank, juli 1999 -500 mil-joen EUR -onbe-paald -KR: Aa3/AA PR: A1 -Vast 6,6% (komt overeen met 115 bp) -Komt overeen met een staatslening met een looptijd van 30 jaar (Correctie door middel van aftrek van 20 à 40 bp) -75-95 bp -
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
Euro-Tranche des Perpetuals in die Deutsche Bank vom Juli 1999 -500 Mio. EUR -unbegrenzt -BR: Aa3/AA PR: A1 -Gesamt 6,6% (entspricht 115 bp) -Entspricht 30-jähriger Bundesanleihe (Korrektur durch Abzug von 20-40 bp) -75-95 bp -
|
Euro-tranche van perpetual in Deutsche Bank, juli 1999 -500 mil-joen EUR -Eeuwig-durend -KR: Aa3/AA PR: A1 -Totaal 6,6% (komt overeen met 115 bp) -Komt overeen met een Duitse staatslening met een looptijd van 30 jaar (correctie door aftrek van 20 à 40 bp) -75-95 bp -
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
Stille Einlage der Sparkassen in Hessen und Thüringen in die Helaba vom Dezember 1997 -300 Mio. DEM -10 Jahre -BR: Aaa/AAA (wg. staatl Haftungen) PR:? -1,2% -10-jährige Bundesanleihe (Korrektur durch Abzug von 20-40 bp) -80-100 bp -
|
Inbreng van derdenbelang van spaarbanken in Hessen en Thüringen in Helaba, december 1997 -300 mil-joen DEM -10 jaar -KR: Aaa/AAA (wegens staats-garanties) PR:? -1,2% -Staatsleningen met een looptijd van 10 jaar (correctie door aftrek van 20 à 40 bp) -80-100 bp -
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(134) Für die zu berücksichtigenden Refinanzierungskosten sei die Rendite einer risikofreien langfristigen deutschen Bundesanleihe (Laufzeit 10 Jahre) anzusetzen. Ende 1991 habe die entsprechende Umlaufrendite 8,26% betragen. Die tatsächlichen durchschnittlichen Refinanzierungskosten der WestLB hätten im November 1991 bei 9,28% gelegen.
|
(134) Wat de relevante herfinancieringskosten betrof, diende te worden uitgegaan van het rendement op een langlopende, risicovrije staatslening (looptijd tien jaar). Eind 1991 bedroeg het rendement op de secundaire markt 8,26%. De werkelijke gemiddelde herfinancieringskosten bedroegen voor WestLB in november 1991 9,28%.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(132) Nach Auffassung Deutschlands bedeutet eine Barkapitalzuführung eine Erhöhung der Eigenmittel und verschaffe Liquidität. Die liquiden Mittel könnten neu angelegt werden und Zinsen erbringen, wofür der Kapitalgeber eine Vergütung verlange. Die Wfa-Eingliederung erhöhe die Eigenmittel der WestLB, bringe aber keine Liquidität. Das Kapital der Wfa sei an den Zweck der Wohnungsbauförderung gebunden. Anders als bei der Zuführung von Barkapital könne die WestLB keine liquiden Mittel neu investieren, sondern müsse sich, um zu demselben Ergebnis zu gelangen, Liquidität auf dem Kapitalmarkt verschaffen. Dies bringe zusätzliche Zinsaufwendungen mit sich. Wegen dieser fehlenden Liquidität kann das Land, so wird in den Sachverständigengutachten ausgeführt, nur eine Vergütung in Höhe des Risikoaufschlages verlangen, d. h. die Differenz zwischen der Gesamtrendite einer Investition und der Rendite einer entsprechenden Bundesanleihe.
|
(132) Duitsland was van mening dat een kapitaalinbreng in contanten resulteerde in een vergroting van het eigen vermogen én liquiditeit verschafte. De liquide middelen konden worden herbelegd en rente opbrengen. Daarvoor vroeg de investeerder een vergoeding. De integratie van Wfa vergrootte het eigen vermogen van WestLB, maar leverde geen liquiditeit op. Het Wfa-vermogen was uitsluitend bestemd voor stimulering van de woningbouw. Anders dan bij een kapitaalinbreng in contanten kon WestLB geen liquide middelen herbeleggen, maar moest zij om hetzelfde resultaat te bereiken liquide middelen aantrekken op de kapitaalmarkt. Dit bracht extra rentekosten met zich. Volgens het rapport kon de deelstaat op grond van dit gebrek aan liquiditeit slechts een vergoeding vragen die niet hoger lag dan de risico-opslag, ofwel het verschil tussen het totale rendement van een investering en het rendement van een staatslening van de Duitse overheid.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(165) Der langfristige risikofreie Satz (deutsche Bundesanleihen mit zehn Jahren Laufzeit) betrug Ende 1990 8,98%. Die LSH gab an, ihre Refinanzierungskosten hätten zum Zeitpunkt der Vermögensübertragung aufgrund ihrer Finanzstruktur bei 9,2% gelegen. In der Verständigung haben die Parteien einen langfristigen risikofreien Satz von 6,61% zugrunde gelegt [42]. Darüber hinaus haben sich die Parteien darauf geeinigt, einen pauschalen Steuersatz von 50% anzunehmen. Dementsprechend kommen die Parteien zu einem Nettorefinanzierungssatz von 3,31% und damit zu einem entsprechenden Liquiditätsabzug.
|
(165) Eind 1990 bedroeg de lange risicovrije rente (leningen van de federale overheid met een looptijd van tien jaar) 8,98%. LSH geeft aan dat haar herfinancieringskosten op het tijdstip van de vermogensoverdracht, op grond van haar financiële structuur, 9,2% bedroegen. In het akkoord zijn de partijen van een lange risicovrije rente van 6,61% uitgegaan [42]. Daarnaast zijn de partijen overeengekomen om zich op een totale belastingdruk van 50% te baseren. Zo komen de partijen tot een nettoherfinancieringspercentage van 3,31% en aldus een dienovereenkomstige liquiditeitsaftrek.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(30) In einem durchschnittlichen Satz von 0,25% auf die jeweils in Anspruch genommenen Beträge, so führte die Kommission aus, könne kaum eine angemessene Vergütung für das Land gesehen werden, wenn schon der langfristige risikofreie Satz (Bundesanleihen mit 10 Jahren Laufzeit) 1992 bei gut 7% gelegen habe. Ferner merkte die Kommission an, dass die Vergütung nicht an das Land direkt erfolgte, sondern an die IBB, die eine Abteilung der LBB ist, wenn sie auch als nicht rechtsfähige Anstalt des öffentlichen Rechts und zentrales Förderinstitut des Landes innerhalb der LBB organisatorisch und wirtschaftlich selbständig geführt wird. Des Weiteren lagen die jeweils in Anspruch genommenen Beträge, soweit bekannt, deutlich unter den Beträgen und Teilen der Zweckrücklage, die für die LBB als haftbare Eigenkapitalbasis nutzbar waren. Die erhöhte Eigenkapitalbasis ermöglichte der LBB jedoch gerade, die Kreditvergabekapazität zu erhöhen und damit ihr Geschäft auszuweiten.
|
(30) Een gemiddeld percentage van 0,25% voor de bedragen waarop een beroep is gedaan, kon volgens de Commissie nauwelijks als een passende vergoeding voor de deelstaat worden beschouwd, wanneer de lange rente voor risicovrije beleggingen (staatsleningen met een looptijd van tien jaar) in 1992 al ruim 7% bedroeg. Voorts merkte de Commissie op dat de vergoeding niet rechtstreeks aan de deelstaat werd betaald, maar aan IBB, die deel uitmaakte van LBB, maar als publiekrechtelijke instelling zonder rechtspersoonlijkheid en centrale ontwikkelingsmaatschappij van de deelstaat organisatorisch en economisch zelfstandig werd geleid. Voorts lagen de bedragen waarop een beroep is gedaan, voor zover bekend, duidelijk onder de bedragen en de delen van de bestemmingsreserve die door LBB als aansprakelijk vermogen konden worden gebruikt. Door de vergroting van de eigenvermogensbasis werden echter juist de mogelijkheden verruimd voor LBB om kredieten te verstrekken en aldus haar activiteiten uit te breiden.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(55) Im vorliegenden Fall sah die Kommission den wirtschaftlichen Vorteil für die LSH, der sich aus der Zufuhr von Eigenmitteln ergab, insbesondere in der Erhöhung der Kreditvergabekapazität für das kommerzielle, wettbewerbsorientierte Kreditgeschäft der LSH (Geschäftsausweitungsfunktion des Eigenkapitals). Unter normalen Marktbedingungen werde die Einbringung von Kapital entsprechend dessen Wert unter Berücksichtigung seiner Funktion und des eingegangenen Risikos vergütet. Ein Anhaltspunkt für die marktübliche Vergütung des eingebrachten Kapitals sei demzufolge im langfristigen risikofreien Zinssatz (Bundesanleihen mit 10 Jahren Laufzeit) zu sehen, der mit einem das erhöhte Risiko von Eigenmitteln abbildenden Risikoaufschlag zu versehen sei. Da bereits der Vergütungssatz für eine langfristige risikofreie Vermögensanlage zum Zeitpunkt der Vermögensübertragung, Ende 1990, bei rund 9% [27] lag, hatte die Kommission erhebliche Zweifel, dass das gezahlte Pauschalentgelt und/oder eine Vergütung von 0,5% bzw. [...]% p.a. für die tatsächlich in Anspruch genommenen Eigenmittel, selbst ohne Berücksichtigung des notwendigen Risikoaufschlags, als marktüblich angesehen werden konnte.
|
(55) In deze zaak bestond het economische voordeel, naar het oordeel van de Commissie, vooral in het feit dat LSH, doordat eigen vermogen was ingebracht, haar commerciële kredietverleningsactiviteiten kon uitbreiden (hefboomfunctie van het eigen vermogen). Onder normale marktomstandigheden was voor de inbreng van kapitaal een vergoeding betaald die met de waarde van het ingebrachte kapitaal en het aangegane risico in overeenstemming was. De risicovrije lange rente (leningen van de federale overheid met een looptijd van tien jaar), verhoogd met een risicopremie die met het hogere risico van eigen vermogen strookte, kon als leidraad worden beschouwd voor hetgeen mogelijk een marktconforme vergoeding van het ingebrachte kapitaal was. Aangezien reeds vóór de vermogensoverdracht (eind 1990) de vergoeding voor een risicovrije langetermijnbelegging al zo'n 9% per jaar bedroeg [27], betwijfelde de Commissie ten zeerste dat een vaste vergoeding en/of vergoeding van 0,5% of [...]% per jaar voor het eigen vermogen waarop daadwerkelijk een beroep zou worden gedaan, als marktconform kon worden beschouwd, zelfs als geen rekening werd gehouden met de noodzakelijke risicopremie.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(163) Aus den per Dezember 1997 und Februar 1998 erhobenen Marktdaten und den Zinssätzen der kontrahierten Stillen Einlagen ergäbe sich für 16-jährige befristete Stille Einlagen ein Aufschlag von etwa 1,25% über Swaps. Übertragen auf die Marktdaten per 31. Dezember 1992 (Swapspread von Bundesanleihen i.H.v. 0,04%) errechne sich damit eine angemessene Risikoprämie für 16-jährige Stille Einlagen in Höhe von 0,04% +1,25% = 1,29%.
|
163. Uit de marktgegevens van december 1997 en februari 1998 en de rente voor in overeenkomsten vastgelegde derdenbelangen kon worden opgemaakt dat voor derdenbelangen met een looptijd van 16 jaar een opslag van circa 1,25% boven de swaprente gold. Indien dit cijfer wordt overgedragen op de marktgegevens per 31 december 1992 (swapspread van Duitse staatsleningen ten belope van 0,04%) kan daardoor een passende risicopremie voor derdenbelangen met een looptijd van 16 jaar worden berekend, te weten 0,04% +1,25% = 1,29%.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(41) Im vorliegenden Fall sah die Kommission den wirtschaftlichen Vorteil für die BayernLB, der sich aus der Zufuhr von Eigenmitteln ergab, insbesondere in der Erhöhung der Kreditvergabekapazität für das kommerzielle, wettbewerbsorientierte Kreditgeschäft der BayernLB (Geschäftsausweitungsfunktion des Eigenkapitals). Unter normalen Marktbedingungen werde die Einbringung von Kapital entsprechend dessen Wert unter Berücksichtigung seiner Funktion und des eingegangenen Risikos vergütet. Einen Anhaltspunkt für die marktübliche Vergütung des eingebrachten Kapitals sei demzufolge im langfristigen risikofreien Zinssatz (Bundesanleihen mit 10 Jahren Laufzeit) zu sehen, der mit einem das erhöhte Risiko von Eigenmitteln abbildenden Risikoaufschlag zu versehen sei. Da bereits der Vergütungssatz für eine langfristige risikofreie Vermögensanlage zum Zeitpunkt der Vermögensübertragung, Ende 1994, von Deutschland mit 7,9% p.a. angegeben wurde, hatte die Kommission erhebliche Zweifel, dass eine Vergütung von 0,6% p.a. für die tatsächlich in Anspruch genommenen Eigenmittel, selbst ohne Berücksichtigung des notwendigen Risikoaufschlags, als marktüblich angesehen werden konnte.
|
(41) In de voorliggende zaak bestond het economische voordeel naar het oordeel van de Commissie vooral in het feit dat BayernLB, doordat eigen vermogen was ingebracht, haar commerciële kredietverleningsactiviteiten kon uitbreiden (hefboomfunctie van het eigen vermogen). Onder normale marktomstandigheden zou voor de inbreng van kapitaal een vergoeding worden betaald die in overeenstemming was met de waarde van het ingebrachte kapitaal en het aangegane risico. De risicovrije lange rente (leningen van de federale overheid met een looptijd van tien jaar), verhoogd met een risicopremie die strookte met het hogere risico van eigen vermogen, kon als leidraad worden beschouwd voor hetgeen mogelijk een marktconforme vergoeding van het ingebrachte kapitaal was. Aangezien kort vóór de vermogensoverdracht (eind 1994) de vergoeding voor een risicovrije lange-termijnbelegging, naar Duitsland zelf aangaf, al zo'n 7,9% per jaar bedroeg, werd door de Commissie ten zeerste betwijfeld of een vergoeding van 0,6% per jaar voor het eigen vermogen waarop daadwerkelijk een beroep zou worden gedaan, als marktconform kon worden beschouwd, zelfs als geen rekening werd gehouden met de noodzakelijke risicopremie.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(149) Auf der Grundlage des REX 10 Performance Index der Deutschen Börse AG betrug der risikolose Zinssatz Ende 1991 7,15%. Zwei 30 Jahre lang laufende Bundesanleihen, die 1986 aufgelegt worden waren, erbrachten zu dem Zeitpunkt eine Umlaufrendite von 7,8% und 7,6%. Deutschland hat vorgetragen, dass sich der individuelle Refinanzierungssatz der NordLB per 31. Dezember 1991 auf [...]% belief. In der Verständigung haben die Parteien einen den langfristigen risikofreien Satz von 7,15% zugrunde gelegt. Darüber hinaus haben sich die Parteien darauf geeinigt, einen pauschalen Steuersatz von 50% anzunehmen [18]. Dementsprechend kommen die Parteien zu einem Nettorefinanzierungssatz von 3,57% und damit zu einem entsprechenden Liquiditätsabzug.
|
(149) Volgens de REX10 Performance Index van Deutsche Börse AG bedroeg de risicovrije rente eind 1991 7,15%. Twee staatsleningen met een looptijd van 30 jaar, die in 1986 waren uitgegeven, brachten op dat moment een rendement op van 7,8% en 7,6% op de secundaire markt. Duitsland heeft meegedeeld dat de individuele herfinancieringsrente van NordLB per 31 december 1991 [...]% beliep. In het akkoord hebben de partijen een lange risicovrije rente van 7,15% vastgelegd. Daarnaast zijn de partijen een vast belastingtarief van 50% overeengekomen [18]. Bijgevolg komen de partijen tot een netto-herfinancieringspercentage van 3,57% en een dienovereenkomstige liquiditeitsaftrek.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(223) Aufgrund der Tatsache, dass die genannten Beträge in den von Deutschland bereits vorher genannten Rahmen fallen, hat die Kommission keinen Anlass, diese als nicht sachgerecht anzusehen und legt diese Beträge der Ermittlung des Beihilfenelements zugrunde. Die Kommission hatte zwar in ihrer ersten WestLB-Entscheidung den langfristigen risikolosen Satz für deutsche Bundesanleihen mit zehnjähriger Laufzeit, der Ende 1991 8,26% betrug, als Mindest-Bruttorefinanzierungskosten akzeptiert. Bei diesem Zinssatz handelt es sich jedoch um eine stichtagsbezogene Betrachtungsweise, die nicht berücksichtigt, dass das Wfa-Vermögen der WestLB dauerhaft zur Verfügung gestellt werden sollte. Im Rahmen ihrer Diskussionen über den langfristigen risikolosen Basiszinssatz haben die Parteien deshalb von der Verwendung einer stichtagsbezogenen am Markt zum Einbringungszeitpunkt beobachtbaren risikolosen Rendite für einen festen Investitionszeitraum abgesehen, da eine solche Betrachtung das Reinvestitionsrisiko, d. h. das Risiko, nach Ablauf des Investitionszeitraumes nicht wieder in Höhe des risikolosen Zinssatzes zu investieren, außer Acht lassen würde. Nach Auffassung der Parteien wird dem Investitionsrisiko am Besten Rechnung getragen, wenn man einen "Total Return Index" zugrunde legt. Deshalb haben die Parteien den von der Deutschen Börse AG erstellten REX10 Performance Index herangezogen, der die Performance einer Investition in Anleihen der Bundesrepublik Deutschland mit exakt zehn Jahren Laufzeit abbildet. Die vorliegend verwendete Indexreihe beinhaltet die jeweiligen Jahresendstände des REX10 Performance Index ab 1970. Die Parteien haben sodann die Rendite per annum ermittelt, die den Trend wie er in dem zugrunde gelegten REX10 Performance Index in der Periode 1970 bis 1991 abgebildet ist, widerspiegelt und sind so zu dem oben genannten risikolosen Basiszinssatz von 7,15% (31. Dezember 1991) gelangt.
|
(223) Omdat de genoemde cijfers binnen het al eerder door Duitsland geschetste kader vallen, ziet de Commissie geen reden om deze als inadequaat aan te merken en gaat zij voor de bepaling van het steunelement uit van deze cijfers. De Commissie was weliswaar in haar eerste WestLB-beschikking voor de minimale brutoherfinancieringskosten uitgegaan van de langlopende risicovrije rente voor Duitse staatsleningen met een looptijd van tien jaar, die eind 1991 8,26% bedroeg, maar bij dit rentepercentage werd gekeken naar een peildatum en was geen rekening gehouden met het feit dat het Wfa-vermogen langdurig aan WestLB beschikbaar gesteld zou worden. Bij hun besprekingen over de langlopende risicovrije basisrente hebben de partijen daarom ervan afgezien gebruik te maken van een aan een peildatum gebonden, op de markt ten tijde van de overdracht waargenomen risicovrij rendement gedurende een vaste investeringsperiode, omdat daarbij het herinvesteringsrisico, dat wil zeggen het risico dat na het verstrijken van de investeringsperiode niet opnieuw tegen het risicovrije rentepercentage werd geïnvesteerd, buiten beschouwing bleef. Volgens de partijen werd met het investeringsrisico het beste rekening gehouden wanneer van een "Total Return Index" werd uitgegaan. Daarom hebben de partijen gebruikgemaakt van de REX10 Performance Index van de Deutsche Börse AG, waarin het rendement van een investering in een staatslening van de Bondsrepubliek Duitsland met een looptijd van precies tien jaar wordt weergegeven. De in dit geval gebruikte indexreeks bevat de jaarultimo's van de REX10 Performance Index vanaf 1970. Vervolgens hebben de partijen het rendement per jaar berekend op basis van de ontwikkeling van de REX10 Performance Index in de periode 1970 tot 1991 en zijn zij aldus uitgekomen op de bovengenoemde risicovrije basisrente van 7,15% (per 31 december 1991).
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(181) Deutschland hat eine Vergleichsberechnung des Permanenzaufschlags bei der unbefristeten Euro-Transaktion (perpetual) der Deutschen Bank vom Juli 1999 gegenüber der befristeten Transaktion der Dresdner Bank vom Mai 1999 vorgelegt [35] Stellungnahme Deutschlands vom 9. April 2004, S. 28.. Der perpetual der Deutschen Bank vom Juli 1999 weise eine Gesamtvergütung von 6,6% p.a. auf (siehe obige Tabelle). Am 1. Juli 1999 habe die Umlaufrendite für 10-jährige Bundesanleihen 4,66% p.a. betragen, so dass sich der auf diese bezogene Vergütungsaufschlag auf 1,94% p.a. belaufe [36] Der Vergütungsaufschlag des perpetuals der Deutschen Bank (vereinbarte Festvergütung von 6,60%) wird hier mit 1,94% p.a. auf die 10-jährige Bundesanleihe bezogen, um ihn mit dem der auf 12 Jahre befristeten stillen Einlage der Dresdner Bank (1,65% über 10-jährigen Bundesanleihen) besser vergleichbar zu machen und daher eine Vorstellung von der Höhe des Permanenzaufschlags zu bekommen. In der obigen Tabelle wird der Vergütungsaufschlag desselben perpetuals dagegen mit 1,15% p.a. auf 30-jährige Bundesanleihen bezogen, da diese den relevanten Betrachtungszeitraum darstellen (30 Jahre gelten am Markt als "quasi-permanent"). Der auf 30-jährige Bundesanleihen bezogene Vergütungsaufschlag ist niedriger, da bei normaler Zinskurve, so wie vorliegend, längerfristige (30-jährige) Anleihen höher rentieren als kürzerfristige (10-jährige) und damit einen höheren Abzugsposten von der vereinbarten Festvergütung von 6,60% p.a. darstellen.. Die Euro-Tranche 12-jährigen Stillen Einlage der Dresdner Bank vom Mai 1999 werde hingegen mit 1,65 über 10-jährigen Bundesanleihen vergütet. Daraus ergebe sich eine Differenz von 0,29% p.a. Diese liege nur unwesentlich über dem hier vereinbarten Zuschlag von 0,20% p.a. (0,23% p.a. mit Gewerbesteuereffekt). Die Differenz sei auch deshalb etwas höher, weil die perpetuals der Deutschen Bank von Moody's mit A1 schlechter geratet worden seien als die von der Dresdner Bank aufgenommene Stille Einlage mit Aa2 und folglich höher zu vergüten waren.
|
(181) Duitsland heeft een vergelijkende berekening voorgelegd van de permanente opslag bij de Euro-transactie met onbepaalde looptijd (perpetual) van Deutsche Bank van juli 1999 en de looptijdgebonden transactie van Dresdner Bank van mei 1999 [35] Opmerkingen van Duitsland van 9 april 2004, blz. 28.. De perpetual van Deutsche Bank van juli 1999 leverde een totale vergoeding op van 6,6% per jaar (zie bovenstaande tabel). Op 1 juli 1999 bedroeg het rendement op de secundaire markt voor staatsleningen met een looptijd van vier jaar 4,66% per jaar, hetgeen betekent dat de vergoedingsopslag, die hieraan is gerelateerd, 1,94% per jaar bedraagt [36] De opslag op de vergoeding voor perpetuals van Deutsche Bank (overeengekomen vaste vergoeding van 6,60%) wordt hier met 1,94% per jaar gerelateerd aan Duitse staatsleningen met een looptijd van tien jaar, om deze gemakkelijker te kunnen vergelijken met het derdenbelang van Dresdner Bank met een looptijd van 12 jaar (1,65% méér dan de staatslening met een looptijd van 10 jaar) en om inzicht te krijgen in de hoogte van de permanente opslag. In de bovenstaande tabel wordt de opslag op de vergoeding voor dezelfde perpetuals daarentegen met 1,15% per jaar gerelateerd aan Duitse staatsleningen met een looptijd van dertig jaar, omdat deze de relevante looptijd vertegenwoordigen (30 jaar geldt op de markt als "quasi permanent"). De aan de 30-jarige staatslening gerelateerde vergoedingsopslag is lager omdat bij een normale rente zoals in het onderhavige geval leningen met een lange looptijd (30 jaar) meer opbrengen dan kortlopende (tienjarige leningen) en daardoor een hogere aftrekpost opleveren ten opzichte van de overeengekomen vaste vergoeding van 6,60% per jaar.. De euro-tranche van het 12-jarige derdenbelang van Dresdner Bank van mei 1999 werd daarentegen met 1,65 basispunten meer dan een 10-jarige staatslening vergoed. Dit is een verschil van 0,29% per jaar, slechts iets meer dan de overeengekomen opslag van 0,20% per jaar (0,23% per jaar inclusief bedrijfsbelasting). Dit verschil is iets groter omdat de perpetuals van Deutsche Bank met een A1-rating van Moody's een slechtere rating hebben gekregen dan het door Dresdner Bank opgenomen derdenbelang van Aa2, en daarvoor derhalve een hogere vergoeding moest worden betaald.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(39) Angesichts des langfristigen risikofreien Satzes (Bundesanleihen mit 10 Jahren Laufzeit) von ca. 4% Ende 1998 erschien es der Kommission zweifelhaft, ob die vereinbarte Vergütung als angemessen angesehen werden konnte, insbesondere unter Berücksichtigung eines sachgerechten Risikoaufschlages. Auf der anderen Seite räumte die Kommission ein, dass bei der Festlegung der marktüblichen Vergütung die mangelnde Liquidität des vorliegend zugeführten Kapitals nicht unberücksichtigt bleiben dürfe. Die als Stille Einlage eingebrachten Förderdarlehen müssten in gleicher Weise wie vor der Einbringung für öffentliche Förderzwecke eingesetzt werden. Damit könne die Helaba die übertragenen Mittel nicht unmittelbar für ihr Geschäft nutzen. Allerdings würde durch die Verbreiterung der Eigenkapitalbasis die Kreditvergabekapazität der Helaba verbreitert (Geschäftsausweitungsfunktion des Eigenkapitals). Die Bank könne den vollen möglichen Umfang der Erhöhung des Geschäftsvolumens aber nur dann erzielen, wenn sie das zusätzliche Kreditvolumen in vollem Umfang auf dem Kapitalmarkt refinanziere. Nach Auffassung der Kommission könne das Land daher nicht genau die gleiche Rendite erwarten wie ein Geber von liquidem Kapital und sei daher ein entsprechender Abschlag sachgerecht. Ob dies aber den Abzug der gesamten Bruttorefinanzierungskosten von der marktüblichen Vergütung für eine liquide Stille Einlage rechtfertigen könne, sei angesichts der steuerlichen Abzugsfähigkeit der Refinanzierungskosten zweifelhaft.
|
(39) In het licht van de risicovrije lange rentevoet (leningen van de federale overheid met een looptijd van tien jaar) van circa 4% eind 1998, betwijfelde de Commissie of de overeengekomen vergoeding als passend kon worden gezien, in het bijzonder rekening houdend met een redelijke risicoopslag. Anderzijds gaf de Commissie toe dat bij de berekening van een marktconforme vergoeding rekening moest worden gehouden met het gebrek aan liquiditeit van het ingebrachte kapitaal. De als derdenbelang ingebrachte stimuleringsleningen moesten op dezelfde wijze voor openbare stimuleringsdoelstellingen worden aangewend als vóór de inbreng ervan. Derhalve kon Helaba de overgedragen middelen niet direct voor haar activiteiten gebruiken. Door de verruiming van de eigen-vermogensbasis kon Helaba haar kredietverleningscapaciteit evenwel uitbreiden (hefboomfunctie van het eigen vermogen). De bank kon dit extra potentieel evenwel pas volledig benutten wanneer zij de extra leningen in hun geheel zou herfinancieren op de kapitaalmarkt. Naar oordeel van de Commissie kon de deelstaat derhalve niet precies hetzelfde rendement verwachten als een verstrekker van liquide middelen en diende de vergoeding navenant te worden verlaagd. Of dit de aftrek van de volledige brutoherfinancieringskosten van de marktconforme vergoeding voor een liquide derdenbelang rechtvaardigen kon, viel echter te betwijfelen, gezien de mogelijkheid tot fiscale aftrek van de herfinancieringskosten.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(48) Deutschland führt ferner aus, dass sich bei variabler Verzinsung die Referenzzinssätze auf Geldmarktinstrumente (Libor und Euribor), bei fester Verzinsung auf Rentenmarktinstrumente (festverzinsliche Staatsanleihen wie US-Treasuries und deutsche Bundesanleihen) oder die Zinssätze am Swapmarkt bezögen. Am Euro-Geldmarkt vollzögen sich die Ausleihungen im Interbankenmarkt üblicherweise ohne weitere Aufschläge auf der Basis Libor bzw. Euribor. Sofern für Stille Einlagen diese Referenzzinssätze gewählt würden, seien die Aufschläge identisch mit der Haftungsvergütung für Stille Einlagen. Am Rentenmarkt würden üblicherweise die Renditen von Staatsanleihen als Referenzzinssätze und seit Ende der 1990er Jahre zunehmend der Referenzsatz "Mid-Swaps" (= Mittelsatz von Geld-und Briefspanne am Swapmarkt) verwendet. Selbst für erstrangige Bankschuldverschreibungen hätten Banken gegenüber laufzeitgleichen Staatsanleihen aus Bonitäts-und/oder Liquiditätsgründen einen unterschiedlichen, je nach aktueller Marktverfassung schwankenden Aufschlag zu zahlen. Dieser Aufschlag werde als Refinanzierungsaufschlag bezeichnet. Zur Beurteilung der festverzinslichen Stillen Vermögenseinlagen von Kreditinstituten seien deshalb von den Vergütungsaufschlägen diese Refinanzierungsaufschläge abzuziehen.
|
(48) Duitsland voert voorts aan dat, ingeval van variabele rentevoeten, de referentierentevoeten betrekking hadden op geldmarktinstrumenten (Libor en Euribor), terwijl zij in het geval van vaste rentevoeten betrekking hadden op de markt voor overheidspapier (staatsleningen met vaste rente zoals US-Treasuries en Duitse staatsleningen) of op de rentevoeten op de swapmarkt. Op de euro-geldmarkt geldt voor interbancaire leningstransacties gewoonlijk Libor of Euribor zonder extra opslag. Ingeval deze referentierentevoeten worden toegepast op een derdenbelang, zijn de is de opslag gelijk aan de aansprakelijkheidsvergoeding voor een ingebracht derdenbelang. Op de markt voor overheidspapier wordt het rendement van staatsleningen gewoonlijk als referentierentevoet gebruikt; sinds het eind van de jaren 1990 wordt steeds meer de referentierentevoet van de "mid-swaps" als referentievoet gebruikt (gemiddelde rente van geld en geldswaardig papier op de swapmarkt). Zelfs voor bankobligaties van de eerste rang moeten banken wegens solvabiliteits-en/of liquiditeitsredenen ten opzichte van staatsleningen met dezelfde looptijd een andere opslag betalen die varieert naar gelang van de actuele marktomstandigheden. Deze opslag wordt herfinancieringsopslag genoemd. Bij de beoordeling van een vastrentend derdenbelang van kredietinstellingen moet deze herfinancieringsopslag derhalve worden afgetrokken van de vergoedingsopslag.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
(162) Die Stille Einlage der HLB per 1. Januar 1993 sei die erste und für fast fünf Jahre auch die einzige Transaktion dieser Art für die Bank gewesen und der HLB sei von zeitnahen Referenztransaktionen anderer Landesbanken nichts bekannt. Eine direkte Bestimmung der angemessenen Risikoprämie für die Stille Einlage aus anderen kontrahierten Stillen Einlagen sei damit nicht möglich. Die verfügbaren Daten zu den mit Dritten kontrahierten befristeten und unbefristeten Stillen Einlagen aus den Jahren 1997 und 1998 ermögliche jedoch eine indirekte Ableitung, wenn quantifizierbar ist, wie sich die angemessene Risikoprämie für Eigenkapitalähnliche Instrumente der HLB zwischen Ende 1992 und Ende 1997 verändert habe. Als Gradmesser hierfür könne die Entwicklung der Risikoprämie für langlaufende HLB-Genussscheine dienen. Wie eine übermittelte Übersicht zeige, habe sich der von den Investoren geforderte Risikoaufschlag von HLB-Genussscheinen während dieses Zeitraums per saldo merklich vergrößert [34]. Wenn man also die Marktverhältnisse per Ende 1997 auf den 31. Dezember 1992 übertrüge, wird die per Ende 1992 angemessene Risikoprämie zumindest nicht unterschätzt [35]. Entsprechend kann die für Ende 1992 angemessene Risikoprämie der Stillen Einlage mit Laufzeit i anhand folgender Formel bestimmt werden: Risikoprämie Stille Einlagen, i,1992 = Swapspread Bundesanleihen, i,1992 + Swapspread Stille Einlagen, i,1997.
|
162. De inbreng van het derdenbelang van HLB per 1 januari 1993 was de eerste, en gedurende bijna vijf jaar ook de enige transactie van deze aard voor de bank; er waren HLB geen vergelijkbare transacties van andere deelstaatbanken in dezelfde periode bekend. Een rechtstreekse bepaling van de passende risicopremie voor het derdenbelang op grond van andere overeengekomen derdenbelangen was daarom niet mogelijk. Op basis van de beschikbare gegevens betreffende de met derden overeengekomen looptijdgebonden en eeuwigdurende derdenbelangen in de jaren 1997 en 1998 kan evenwel een indirecte berekening worden gemaakt, indien kan worden gekwantificeerd hoe de passende risicopremie voor eigen-vermogensinstrumenten en vergelijkbare instrumenten van HLB tussen eind 1992 en eind 1997 is geëvolueerd. Als graadmeter zou de ontwikkeling van de risicopremie voor langlopende HLB-winstbewijzen kunnen dienen. Zoals uit het verstrekte overzicht blijkt is de door investeerders geëiste risico-opslag voor HLB-winstbewijzen in deze periode per saldo aanzienlijk gestegen [34]. Wanneer men dus de marktverhoudingen van eind 1997 op 31 december 1992 overdraagt, wordt de passende risicopremie per eind 1992 ten minste niet te laag ingeschat [35]. Dienovereenkomstig kan de passende risicopremie voor een derdenbelang met looptijd i per eind 1992 aan de hand van de volgende formule worden berekend: Risicopremie derdenbelangen, i, 1992 = Swapspread Duitse staatslening, i, 1992 + Swapspread derdenbelangen, i, 1997.
|
Ultimo aggiornamento: 2008-03-04 |
Ricerca frasi tradotte da persone
Riconoscimenti - Le traduzioni automatiche sono ottenute dalla combinazione dei risultati del nostro traduttore automatico statistico, di Google, Systran e Worldlingo.
Aiuta a valutare ricerche analoghe: geschäftsausweitungsfunktion (Tedesco - Olandese) | bruttorefinanzierungskosten (Tedesco - Olandese) | refinanzierungsaufschläge (Tedesco - Olandese) | refinanzierungsaufschlage (Tedesco - Olandese)
Ci sono utenti che chiedono aiuto: schwinge (Tedesco>Italiano) | reseller (Tedesco>Italiano) | nas (Tagalog>Inglese) | en chante cherie (Francese>Inglese) | anu kaya un (Tagalog>Inglese) | lewis (Inglese>Tedesco) | congested (Inglese>Tagalog) | screen (Tedesco>Italiano) | schlechtwege (Tedesco>Italiano) | tacca - fotocellule in ristampa (Italiano>Polacco) | stimmen nicht überein (Tedesco>Italiano) | société (Francese>Lituano) | grippe (Francese>Latino) | preisvorschläge (Tedesco>Italiano) | advocate tagalog (Inglese>Tagalog)
Segnala un abuso |
Informazioni su MyMemory
| Contattaci
MyMemory nella tua lingua: English
| Italiano
| Español
| Français
| Deutsch
| Português
| Русский
| 日本語
| 汉语